dinsdag 21 augustus 2012

Begrippenlijst basisfotografie

Aberratie
Wanneer een objectief geen perfect beeld geeft qua vorm en scherpte ondanks juiste instellening op het onderwerp, dan wordt dat aberratie genoemd. Aberraties komen tegenwoordig veel minder voor dan vroeger. De mate van vertekening hangt af van de kwaliteit van het objectief.

AE lock (AEL) Auto Exposure lock. De mogelijkheid om tijdelijk de belichtingswaarde, gemeten door het lichtmetingssysteem, vast te houden wanneer het zoekerbeeld verandert.Niet alle camera's beschikken over deze mogelijkheid.

AF Zie autofocus

Apochromatisch (APO) Licht bestaat uit verschillende kleuren. Iedere kleur wordt op zijn eigen manier gebroken als een lichtstraal door een lens valt. Bij teleobjectieven kan enige mate een onscherpte ontstaan als de kleuren door deze verschillende breking niet precies op hetzelfde punt op het negatief samen vallen. In een apochromatische lens wordt dit gecorrigeerd. Hierdoor ontstaat een scherper beeld.

ASA American Standards Association: een serie getallen die de lichtgevoeligheid van een film aangeven. Een stop meer gevoeligheid betekent een verdubbeling van het ASA getal. Het ASA systeem is inmiddels vervangen door het ISO systeem.

Asferisch Licht dat door het midden van een lens naar binnen valt wordt op een andere manier gebroken dan licht dat verder naar de zijkant van de lens binnenkomst. Hierdoor kan enige mate van onscherpte ontstaan. Asferische objectieven corrigeren dit verschijnsel. Hierdoor ontstaat een scherper beeld.

Autofocus Autofocus is een automatische scherpstelfunctie van het objectief. Een sensor in de camera registreert op welke afstand het te fotograferen object zich van de camera bevindt, waarna het objectief automatisch scherp wordt gesteld.

Beeldhoek Als wij recht vooruit kijken beslaat de beeldhoek die we overzien ongeveer 45o. Objectieven kunnen door hun optische constructie totaal andere beeldhoeken zichtbaar maken. Hierdoor kan er dus een grotere of kleinere hoek dan die 45o op de sensor worden geprojecteerd. De beeldhoek is ook afhankelijk van het standpunt van waaruit de foto wordt genomen.

Belichting We spreken van belichting wanneer de sensor aan licht wordt blootgesteld. 

Belichtingscompensatie Aanpassing van de belichting om een goed belichte foto te maken. Ook wel onder- of overbelichten genoemd. 

Bewegingsonscherpte Het begrip bewegingsonscherpte duidt op beweging van de camera of het gefotografeerde onderwerp tijdens het belichten van de sensor waardoor de foto onscherp lijkt. Hier kan bewust voor gekozen worden voor een creatief effect. Wil men echter geen bewegingsonscherpte in de foto, kiest men voor een korte sluitertijd. 

Bounce Indirect geflitst licht, meestal via een wit of lichtgekleurd plafond of muur. 

Bracketing Deze Engelse term verwijst naar een techniek waarbij je de kans op een goed belichte foto vergroot door één opname volgens de door de camera voorgestelde belichting te maken en daarna tenminste één met over- en tenminste één met onderbelichting. Op de meeste camera's kan men ook kiezen voor bracketing van kleurbalans en flitsen.

Brandpuntafstand De brandpuntsafstand is gekoppeld aan de beeldhoek. Bij een objectief van bijvoorbeeld 28mm is 28 de brandpuntsafstand en bij een 200mm objectief is dit 200. In de begintijd van het vervaardigen van objectieven, moesten fotografen genoegen nemen met een lens met een vast brandpuntsafstand. Uit die tijd stamt ook de definitie van de brandpuntsafstand. Brandpuntsafstand is de afstand in millimeters tussen het negatief (nu de sensor) en de voorste lens. 

Camerastandpunt Het begrip camerastandpunt verwijst naar de positie van de camera in relatie tot het onderwerp.

CCD
Dit is het foto-opnamesysteem in digitale camera's. Een CCD ziet eruit als een klein spiegeltje, zijn grootte varieert van enkele millemeters tot enkele centimeters. De compactcamera's bezitten vaak een klein CCD, de professionele camera's een groot CCD dat tegenwoordig dicht aanleunt tegen de 24x36mm (formaat van een filmrolletje). Het gebruik van een groter CCD heeft tot gevolg dat fouten in objectieven minder van invloed zijn op de gehele beeldkwaliteit van het en beeld. 

CMOS Complementary Metal Oxide Semiconductor. Dit is eveneens een foto-opnamesysteem gebruikt in digitale camera's. Echter deze is minder populair dan CCD.

Centrumgerichte meting Manier van lichtmeting door de camera waarbij de belichting wordt gebaseerd op de hoeveelheid gereflecteerd licht in en rond het midden van het beeld.

Compositie De compositie is een sleutelbegrip voor het maken van mooie foto's. Het verwijst naar hoe de diverse elementen in de foto zich verhouden tot elkaar en tot het beeldkader.

Contrast In de fotografie verwijst dit begrip naar verhoudingen tussen lichte en donkere elementen in de foto.

DDL Door de lens, zie TTL.

Diafragma Het diafragma duidt de maat aan van de opening in het objectief waar het licht doorheen valt. Diafragma waarden worden uitgedrukt in getallen die 'f-stops' worden genoemd. Een klein diafragma (kleine opening) heeft een groot getal (f/22 is bijvoorbeeld niet groter dan een speldenknop), terwijl een groot diafragma (grote opening) aangeduid wordt met een klein getal, bijv. f/2.8. De reeks waarden die je in kunt stellen is afhankelijk van het objectief dat op een camera in gemonteerd. Doordat het veranderen van de diafragmawaarde gevolgen heeft voor de hoeveelheid licht dat op de sensor valt, moet ook de sluitertijd aangepast worden om de sensor goed te belichten. Daarnaast heeft de keuze van de diafragmawaarde gevolgen voor de scherptediepte.

Diafragmaringen of -vlekken Lichte, hoekige vlekken die meestal diagonaal over een foto lopen. Ze worden veroorzaakt door schuin in de lens vallend zonlicht. Het gebruik van een zonnekap kan dit verschijnsel voorkomen.

Diffuus licht Egaal, gelijkmatig licht zonder harde schaduwen. Bij diffuus licht is het niet, of slechts moeilijk, te bepalen uit welke richting het licht komt. Mist is een extreme vorm van diffuus licht.

Diffusor op de flitser Een kapje op de reportageflitser om het flitslicht zachter (diffuser) te maken. 

Doortekening Delen van de foto die heel licht of juist heel donker zijn, maar waar toch nog structuur in te zien is. Bijvoorbeeld de schaduwkant van een boom waarin nog wel de structuur van de schors te zien is.

Draadontspanner Schakelaar die via een draad of draadloos met de camera verbonden wordt en waarmee je een foto kunt maken zonder de ontspanknop in te drukken. Dit wordt meestal gebruikt in combinatie met een statief om zo trillingen die worden veroorzaakt door het indrukken van de ontspanknop te voorkomen.

EV Engelse afkorting van 'exposure value'.

EXIF EXIF informatie is informatie die je camera aan je foto koppelt. De letters EXIF betekenen: Exchangeble Image File Format. Uitwisselbaar bestandsinformatie in eenvoudig Nederlands vertaald. Informatie in dit gedeelte van je foto verteld onder andere: met welk toestel is het gemaakt, op welke datum en tijdstip. Verder vertelt deze informatie je met welke belichting je hebt gewerkt, en wat de resolutie is. Ook overige technische zaken zoals sluitertijd, diafragma, kleurgebruik en alle andere technische zaken.

Fish-eye objectief Een fish-eye objectief is een super groothoekobjectief met een brandpuntafstand van 12 mm. of minder. Met een dergelijk objectief is een beeldhoek van meer dan 180o te bereiken.

Flitssynchronisatie De juiste sluitertijd die synchroniseert met de flitser. De sluiter moet namelijk volledig open zijn voordat de flitser af mag gaan. Is dat niet het geval, dan wordt een deel van de foto zwart. Bij de juiste flitssynchronisatietijd valt de lichtpuls van de flits precies op het moment dat het sluitergordijn geheel geopend is. Afhankelijk van de gebruikte camera zijn synchronisatiesnelheden mogelijk tot 1/250 sec. De flitser synchroniseert wel met langere sluitersnelheden zoals bijv. 1/15 sec., maar niet met kortere dan 1/250 sec.

F-getal Een schaal van getallen die de grootte van het diafragma aangeven, bijvoorbeeld f/2.8, f/4, f/5.6, f/8 etc. Een aantal stapjes van een diafragma getal naar een andere wordt ook wel stops genoemd. Het getal is afgeleid van de lensopening. Hoe groter het f-getal, hoe kleiner de opening en hoe minder licht er op de sensor valt.

Gereflecteerde lichtmeting Een lichtgevoelige cel in de camera bepaalt hoeveel licht er van het onderwerp naar de camera wordt gereflecteerd.

Groothoekobjectief Een groothoekobjectief verkleint altijd het onderwerp. De beeldhoek is groter dan bij standaardobjectieven, waardoor het mogelijk is meer in de foto op te nemen. Groothoekobjectieven worden vaak gebruikt bij het fotograferen in beperkte ruimtes.

Grijskaart Referentiekaart voor contrast en belichting met een lichtreflectie van 18%. 

Gulden snede Dit is de beroemde regel van de fotografie. Verdeel de zoeker in gedachten in: - drie delen horizontaal- drie delen verticaal Plaats het onderwerp - op één van de hoekpunten wanneer het klein is - op één van de lijnen wanneer het lang is Als een horizon zichtbaar is, leg 'm op één van de horizontale lijnen Er zijn fotografen die beweren dat in élke foto de regel van derden is terug te vinden. De boodschap van de regel is de volgende: "plaats je onderwerp niet dood in het midden van de foto." Als aanvulling hierop: "regels zijn er om gebroken te worden. Laat liever je gevoel en inbeeldingsvermogen de vrije loop dan je teveel aan te trekken van de gulden snede."

High-key foto Een foto met extreem lichte, heldere uitstraling. 

Histogram Dit is een grafische weergave van de helderheid van de afbeelding. Bij een juiste belichting zijn de verschillende helderheden evenwichtig over het histogram verdeeld. Dat is niet altijd het geval want je hebt ook foto's die bewust sterk naar licht (high-key) of naar donker (low-key) neigen.

Hot shoe Flitsschoen op de camera met contacten voor de overdracht van flitsgegevens. 

Indirect flitsen Een manier van flitsen waarbij de flitslamp niet direct op het onderwerp wordt gericht, maar op een reflecterend vlak, bijvoorbeeld een wit plafond, om zachter licht met minder zware schaduwen te krijgen. 

Invulflits Bij invulflits wordt gebruik gemaakt van een flitser bij daglicht om schaduwen op het onderwerp 'in te vullen' met extra licht.

ISO-waarde De ISO waarde is de mate van gevoeligheid voor licht op de sensor. Hoe hoger de ISO waarde, hoe lichtgevoeliger. Doorgaans wordt de ISO waarde op bijv. 100 gezet wanneer men beschikt over veel licht. In situaties waarbij er weinig licht voorhanden is, gebruikt men een ISO van bijv. 1600. De ISO waarde is vastgesteld overeenkomstig de normen van de International Standards Organization (ISO).

JPG In een sensor zijn er aparte pixels die elk de gegevens van 1 kleur bevatten, er zijn pixels voor rood, voor groen en voor blauw (RGB). Bij het opslaan in een JPG bestand worden die gecombineerd zodat 1 pixel de gegevens van alle kleuren bevat. Dit wordt ook wel comprimeren genoemd. JPG is de afkorting van Joint Photographic Experts Group.

Kelvin Eenheid van temperatuur, waarbij 0 Kelvin (K) het absolute nulpunt is. Deze maateenheid wordt gebruikt voor het aangeven van de kleurbalans van de diverse lichtbronnen zoals TL-verlichting, flitslicht, zonlicht, etc. 

Kleurbalans De nauwkeurigheid waarmee kleuren van een opname overeenkomen met de lichtbron.

Lichtsterk objectief Objectief met een grote maximale diafragmaopening (laag f-getal).

Low-key foto Foto's waarvan het grootste gedeelte uit donkere tinten bestaat.

Macro-objectief Een macro-objectief is speciaal ontworpen voor close-up fotografie. Het stelt de camera in staat onderwerpen op een zeer korte afstand van de camera scherp te stellen.

Matrix meting Manier van lichtmeting door de camera waarbij de belichting wordt gebaseerd op de hoeveelheid gereflecteerd licht van het gehele beeld.

Meetrekken Het tijdens de belichting met de camera volgen van een bewegend onderwerp. 

Objectief Ook wel lens genoemd. Het optisch stelsel waarmee een beeld op de sensor wordt geprojecteerd. 

Onderbelichting Kortere belichting dan door de lichtmeter aangegeven. 

Opvallend lichtmeting Voor deze manier van licht meten dien je te beschikken over een losse belichtingsmeter. Met deze belichtingsmeter bepaal je hoeveel licht er van de lichtbron (bijv. de zon) op het onderwerp valt. Hiervoor hou je de lichtmeter tussen het onderwerp en de lichtbron met de lichtgevoelige meetcel naar de lichtbron toegekeerd.

Overbelichting Langere belichting dan door de lichtmeter aangegeven. 

Parallax Het verschijnsel dat het beeld dat je door de zoeker van een compactcamera of meetzoekercamera ziet niet overeenkomt met het beeld dat op de foto komt. Dit verschijnsel doet zich vooral voor als het onderwerp zich dicht bij de camera (minder dan een meter) bevindt.

Perspectief Dit begrip verwijst naar de onderlinge formaatverhouding tussen elementen op de voor- en achtergrond. Bij gebruik van een teleobjectief lijken dingen dichter bij elkaar te staan. Bij een groothoekobjectief lijken zaken juist verder uit elkaar te staan.

Pixel Het woord pixel is afgeleidt van picture elements. Een pixel is een klein element van de opbouw van het beeld. In zijn algemeenheid geldt dat hoe meer pixels een foto bevat, hoe beter de kwaliteit van de foto is.

Polarisatiefilter Filter dat ongewenste reflecties elimineert en blauwe luchten blauwer en donkerder maakt. Het nadeel van polarisatiefilters is dat ze veel licht opslokken (één tot twee stops).

RAW Dit is een digitaal bestandsformaat waarbij de menging van de kleuren rood, groen en blauw van de foto-opname niet wordt gedaan. De drie afzonderlijke kleuren worden separaat opgeslagen. Het RAW formaat is daardoor veel groter dan JPG waarbij deze menging wel wordt gedaan. 

Richtgetal Het richtgetal van een flitser bepaald de lichtopbrengst en is gelijk aan het product van de afstand (van flitser tot onderwerp) en het benodigde werkdiafragma. Een richtgetal van 45 wil zeggen: bij vol vermogen is diafragma f45 nodig om op 1 meter afstand van het onderwerp een juist belichte opname te maken. Immers richtgetal = afstand x diafragma. Richtgetallen zijn altijd gedefinieerd bij 100 ISO. Als de lichtgevoeligheid verdubbelt, dan moet je het richtgetal met 1,4 (de vierkantswortel van 2) vermenigvuldigen. Als de lichtgevoeligheid halveert, dan moet het richtgetal vermenigvuldigd worden met 0,7 (de vierkantswortel van 0,5). Overigens geldt het richtgetal meestal voor een 50 mm lens. Bij het gebruik van een groothoek verkleint het richtgetal en bij het gebruik van een teleobjectief wordt het richtgetal hoger. De rekenregel hierbij is dat als de brandpuntsafstand verdubbelt, het richtgetal met factor 1,4 toeneemt. Omgekeerd is het zo dat als de brandpuntsafstand halveert, het richtgetal met factor 1,4 afneemt.

Ringflitser Een speciale ringvormige flitser, meestal gebruikt bij macro-fotografie en close-ups, soms ook voor portretten.

Ruis Bij gebruik van een hoge ISO waarde, bijvoorbeeld wanneer men fotografeert met 1600ISO of hoger, ontstaan er pixels met afwijkende kleuren. De foto's lijken een fletse kleur en korrelige structuur te krijgen. 

Scherptediepte De term scherptediepte verwijst naar het gebied waarbinnen alles, van voor- tot achtergrond, scherp is. Hoe kleiner de diafragma opening (aangeduid met een hoge f-waarde), hoe groter de scherptediepte. Hoe groter de diafragma opening (aangeduid met een lage f-waarde), hoe geringer de scherptediepte. Overigens is de scherptediepte achter het scherpstelvlak (het punt waarop je scherpstelt) groter dan de scherptediepte voor het scherpstelvlak. Bij een bepaalde scherptediepte zal ongeveer een derde van de scherpte voor het scherpstelvlak vallen en tweederde erachter.

Sensor Dit is een chip die uit miljoenen lichtgevoelige elementen bestaat die het invallende licht registreren. Er zijn twee soorten beeldchips: de CCD en de CMOS.

SLR
Zie spiegelreflexcamera.

Sluitertijd De sluitertijd is de duur van het belichten van de sensor. Een korte sluitertijd betekent dat de sluiter slechts kort open is (bijv. 1/2000 seconde). bij een lange sluitertijd (bijv. 1/30 seconde) is het omgekeerde het geval. Om een goed belichte foto te maken heeft men een bepaalde hoeveelheid licht nodig om de sensor te belichten. Een lange sluitertijd moet gecompenseerd worden door een kleiner diafragma en omgekeerd. Dit heeft gevolgen voor de scherptediepte en mogelijk bewegingsonscherpte.

Spiegelreflexcamera Met dit begrip (in het Engels SLR, Single Lens Reflex) worden camera's aangeduid die zijn uitgerust met een (verwisselbaar) objectief en een spiegel die bij het maken van een foto opklapt en waarbij de zoeker 'exact' het beeld laat zien dat door het objectief wordt waargenomen.

Spotmeting Bij spotmeting wordt alleen het licht in het midden van het beeld gemeten. Wat daarbuiten ligt, wordt dus niet meegenomen in de lichtmeting.

Standaardobjectief Een standaardobjectief heeft een beeldhoek die gelijk is aan die van het menselijke oog. De gebruikelijke brandpuntafstand is 50 mm.

Standpunt De plaats van de camera ten opzichte van het onderwerp. 

Stops Een stop is een verdubbeling of halvering van de lichtopbrengst. 1 stop meer licht betekent dus dat je lichtopbrengst is verdubbeld. 2 Stops meer licht betekent een verviervoudiging. (2x2). 2 Stops minder betekent dat het licht wordt gehalveerd en nógmaals gehalveerd, zodat je een kwart van de lichtopbrengst overhoudt (0.5 x 0.5). 

Synchronisatietijd De sluitertijd bij gebruik van de flitser. 

Tegenlicht Er is sprake van tegenlicht wanneer het onderwerp zich tussen de fotograaf en de belangrijkste lichtbron bevindt. Vanuit de positie van de fotograaf gezien bevindt de belangrijkste lichtbron zich dus achter het onderwerp. De foto wordt als het ware tegen het licht in genomen.

Teleobjectief Een teleobjectief vergroot altijd het onderwerp. De beeldhoek is kleiner dan bij een standaardobjectief.

Vignettering Donkere hoeken op een foto die ontstaan doordat de diameter van een filter of zonnekap te klein is voor de beeldhoek van de lens.

Zoomobjectief Een objectief waarbij de brandpuntafstand kan worden gewijzigd. Deze objectieven worden altijd met hun minimale en maximale brandpuntafstanden aangeduid. bijv. 28-80 mm.

Deze begrippenlijst is afkomstig van De Fotokunst Galerie

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen